Kippen kijken

Zondag in Utrecht kippen wezen kijken. Mooie kippen. Geportretteerd als ballerina’s. Door Alex ten Napel, prijswinnende fotograaf uit Amsterdam, die met zijn bekende waterportraits exposeerde over de hele wereld (New York, Moskou, Polen, Parijs, Mexico, Duitsland, Chili, Engeland) en foto’s publiceerde in bladen als Le Monde, Volkskrant Magazine, Zoom.

En dan nu kippen. Hoenders meer. Opgedoft. Gracieus. Poserend. Ten Napel bouwde een studio in een kippenschuur en maakte met z’n Hasselblad talloze portretten en ging thuis aan de slag. Met Photoshop. Eindeloos schuiven met pixels. Vraag: hoe lang ben je in Photoshop nou bezig om één zo’n foto te perfectioneren? Antwoord: 16 uur.

Het loont de moeite, hij wint er prijzen mee.

In Fotogalerie Utrecht aan de Oude Gracht hingen er een stuk of zestien. De Hollandse Kuifhoen. Twentse Kriel. Brabanter Hen. Chaams Hoen. Barnervelder Hen. Nederlandse Baardkuifhoen. Hollandse Kriel. Uilenbaard. Ach, u kent ze allemaal wel.

De fotograaf was er zelf ook. Hij praatte met de aanwezigen. Uit binnen- en een enkel buitenland, het was een bijeenkomst voor genodigden. Toen hij een praatje kwam maken met mij gaf hij mij lachend de hand, ik sloeg hem op de schouders. Zoals dat gaat met oude makkers. Want vroeger, heel vroeger, vormden we samen het schrijversduo ‘De Heren Schrijvers’. En wat later maakte hij in mijn bescheiden piepkleine donkere kamer kennis met de wondere wereld van de zwart wit fotografie.

Hij raakte geinspireerd, ging naar de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag om fotografie te studeren en de rest is geschiedenis.

Een niet ingezonden brief

Op 19 maart 2014 worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden. De stemmachines zijn in de ban gedaan, het volk stemt weer met stembiljet en potlood. Na de verkiezingen en de herschikking in de gemeenteraden smeedt de lokale politiek nieuwe verbonden voor het dagelijkse bestuur. Dat is een serieuze zaak, er komen soms heuse formateurs aan te pas. Zoals in Emmen. De plaatselijke redacteur van het Dagblad van het Noorden doet verslag op Twitter en in de krant.

Hij maakt daarbij een foutje. Dat kan. Maar hij weigert het foutje te herstellen. Dat kan niet. Ik schrijf een ingezonden brief aan de redactie van de krant, maar verzend hem niet, want ach, u weet hoe dat gaat, wie zonder zonden is… en zo verder; de boosheid wordt in huize W. toegedekt met de mantel der liefde.

Vandaag lees ik de brief weer, hij is bewaard in het digitale archief. En ik zie plots een wegpiraat voor me, zo’n snijdende en raggende rouwdouwer die ergernis oproept maar nooit wordt aangesproken op zijn hufterige gedrag. Bij nader inzien vind ik daarom dat deze ingezonden brief  toch moet worden vrijgegeven aan de openbaarheid, de ergernis komt weer onder het kleed vandaan:

Geachte redactie,

Op donderdag 11 april twittert @Gert_Meijer het volgende bericht: ‘Voormalig CDA-wethouder @bertwestenbrink uit Groningen wordt formateur in Emmen. Morgen direct aan de slag.’

Gert Meijer is redacteur van uw krant, zo maak ik op uit de bio op zijn Twitteraccount. Hij woont in Meppel, maar ‘doet’ kennelijk de gemeente Emmen.

Dat is op zich al sneu voor hem en voor uw regionale dagblad, een redacteur die op 45 kilometer afstand woont van de gemeente waarover hij verslag doet. Maar goed. Af en toe pikt hij toch een nieuwtje op. Zoals over de nieuwe formateur.

Zijn tweet wordt gelezen. Gert Meijer heeft ruim 1.000 volgers, voorwaar niet niks (5 x keer meer dan ik). Meteen wordt zijn bericht geretweet. Anderen gaan die @bertwestenbrink volgen, want ja, vanaf nu gaat hij vast belangwekkende info tweeten over de formatie in Emmen.

Alleen jammer dat @bertwestenbrink niet de nieuwe formateur in Emmen is. Dat is de echte voormalige CDA-wethouder van Groningen, mr. B.G. Westerink. Ofwel Bert Westerink.

Foutje van @Gert_Meijer. Kan gebeuren. Ik stuur hem de volgende tweet: ‘Dag ‪@Gert_Meijer, een formateurschap is mij onbekend. Ben ook nimmer wethouder geweest. Zelfs niet in Groningen.’ Het is een tweet met een bedoeling, namelijk om Gert Meijer te wijzen op zijn vergissing zodat hij zijn volgers kan melden dat de échte formateur in Emmen een andere is, te weten Bert Westerink. Je neemt jezelf en je volgers serieus, dus herstel je een foutje. Vind ik logisch. Gert Meijer niet. Hij reageert een uurtje of zeven later: ‘Dan heb je een bekendere naamgenoot. Gefeliciteerd!’

En hier begint de ergernis, want uit zo’n lollig antwoord blijkt een mentaliteit die het aanzien van de journalistiek al lang schaadt. Dédain. Arrogantie. Je lezer niet serieus nemen. Of, in dit geval, jolig wegzetten als een onbenul.

Ik waak ervoor om het foutje van Gert Meijer groter te maken dan het is, het gaat mij hier om een beroepshouding. Ik ben net als Meijer journalist. Dus ik weet hoe de mores is onder mijn vakgenoten als het gaat om omgaan met kritiek en erkennen van fouten. Daar zijn we slecht in. En Meijer is daarop geen uitzondering. Als ik hem in een tweede tweet vraag om rectificatie, antwoordt hij met: ‘Grapjas. In de krant staat het goed.’

Dat mag ik dan hopen, ik lees het Dagblad van het Noorden niet. Maar de krant is Twitter niet. Dat platform is een belangrijke informatiebron geworden, dus zo langzamerhand serieus te nemen als journalistiek medium. Politici gebruiken het voor statements, instellingen plaatsen er persberichten en rapporten op en Gert Meijer raakt er z’n nieuwtjes op kwijt die door 1.000 volgers worden gelezen.

En op dat medium gaat mijn naam ten onrechte rond als formateur van Emmen. Als ik de man die daar verantwoordelijk voor is vraag om dat recht te zetten, word ik uitgelachen. Ik baal daarvan. Ik moet twitteraars die aan het retweeten slaan er op wijzen dat niet ik maar Bert Westerink formateur is in Emmen. Het is de wereld op z’n kop.

En Gert Meijer zal dat kennelijk worst wezen. Ik zou zeggen: tijd voor een goed gesprek over zijn beroepshouding.

Met evengoed vriendelijke groet,
Bert Westenbrink

 

Passant

Er komt een roeiboot voorbij. N. groet de roeier die twee hengels op de rand van zijn sloep heeft liggen. “In het weekend komen de hele dag bootjes voorbij. Allemaal kijken. Vind ik wel gezellig,” zegt N.

J. eet zwijgend zijn pasta. Hij groet niet.

“Waar denk je aan,” vraag ik.

“Niks,” zegt J. “Ik denk aan niks.”

“Licht ie nou recht,” vraag ik.

“Lichen is met een g,” zegt J. “Het is liggen, niet lichen.”

“O, oké,” zeg ik. “Maar ligt ie nou recht?”

N.: “Ja, hij ligt recht. Het aquarium weegt wel zo’n 200 kilo. Mooi contragewicht. De boot ligt nu recht.”

“Dus de klok loopt nu ook goed?”

“Nee.”

We eten zwijgend verder, N., J. en ik. Dit is mijn eerste maal op hun woonboot. En ik zit niet meer aan het hoofd van de tafel. Ik ben nu gast in hun leven, een passant, een roeiboot die in het weekend voorbij vaart.

Teveel en te weinig

Nog even gecheckt en ja hoor, voorin, op bladzijde vier van de ongenummerde pagina’s staat:

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Ik ben altijd onder de indruk van waarschuwingen, zelfs als de sancties me niet duidelijk zijn. Ik weeg de straf niet eens af, ik ben een brave man, ik kleur binnen de lijntjes, ik ben democraat. Toch ga ik me hier schuldig maken aan het verboden vermenigvuldigen (ik denk niet aan uitgevers), niet als daad van verzet, maar om de enkeling die dit leest (dus van openbaar maken is nauwelijks sprake) deelgenoot te maken. Het is te mooi om verborgen te blijven in een boek:

Mijn opvattingen over schrijven zijn eenvoudig: zorg dat je laconiek bent (schrijven is niet heel bijzonder), ga zitten en schrijf op waar je zin in hebt, kijk niet om, verbeter niets, denk niet aan lezers. Ik heb natuurlijk makkelijk praten, ik schrijf kleine stukjes, er kan niet veel fout gaan. Maar ik kan toch geen smetteloos stukje schrijven, altijd verstopt zich een foutje in het gewas (een t teveel, een t te weinig) en al loop je er tien keer langs, het houdt zich stil. Verder heb ik geen mening over schrijven.

Was getekend, A.L. Snijders (Vijf bijlen, 2e druk, pag 203, Russische boer).

Welnu, toch wel gek: teveel en te weinig in één zin. Ik raak een beetje in de war, aan elkaar of niet? Uit Onze Taal:

Een ezelsbruggetje: als je in plaats van te veel ook te weinig op dezelfde plaats in de zin kunt gebruiken (‘Hij heeft te weinig taart gegeten’), komt er een spatie na te. Een ander ezelsbruggetje: als je te kunt weglaten zonder dat de zin ongrammaticaal wordt (‘Werk jij niet veel?’), komt er een spatie na te.

Er zit een foutje in het gewas van de Russische boer, maar dat houden we stil. Ja, loopt u maar gewoon door. Niets tezien hier.

Een lekkere pot beuken

Het is 13 maart 2007. Op de televisie zien wij Yves Kummer. Blokhoofd. Gedrongen postuur. En als je goed kijkt: bloemkooloren. Kummer is een van Neerlands beste rugbyers. En naar ik nu zie ook een van de meer welbespraakte rugbyers. Hij geeft commentaar bij de wedstrijd Engeland-Frankrijk. Een heerlijke pot beuken. Vermaak voor ruwe mannen met blanke pit. Dus kijk ik.

Kummer is lyrisch. Wat wil je, rugby van wereldklasse. Daar lik je als Neerlands beste scrumbeuker toch nog altijd je vingers bij af want zoveel stelt de sport alhier niet voor. Ik geniet van Kummers bevlogenheid, tótdat hij vaders en moeders aanraadt hun kinderen (meisjes rugbyen ook) op deze sport te doen, want de rugbycodes (hard, fair, respect, teamgeest) zijn zo goed voor hun vorming.

Ik verslik me in de koffie, want meteen gaan de gedachten terug naar de tijd dat we hele zaterdagen op pad waren om ergens ver weg de beukpartijen in levende lijve te aanschouwen. J. en later ook N. hulden zich in het groen-zwarte tenue om hun partij mee te blazen. Met afgrijzen zagen we hoe ze tegen de grond werden gesmakt als ze in volle ren met een flying tackle werden gevloerd. Dat de schedel niet spleet als hun hoofd op de harde klei kletste, was ons een raadsel. Het gekreun uit de scrum waarin J. als een buffel de prop of hooker in de tegenpartij duwde, ging ons door merg en been.

Maar mijn geloof in die vormende respectrituelen verdween definitief toen een tegenstander op een donkere zaterdagmiddag alle zelfbeheersing verloor en op een groen-zwarte ging zitten en hem geheel in de geest van de wedstrijd uit alle macht op het hoofd beukte met de niet mis te verstane woorden: “Ik maak jou helemaal dood!!”

Toen wist ik het zeker: deze sport is helemaal niet goed voor je vorming. En dan heb ik het nog niet eens over de rituelen voor en na de wedstrijden. Daarin wordt vooral respect getoond aan het gerstenat. Toen ik om elf uur ’s morgens in de kantine om een kop koffie vroeg, werd ik vreemd aangekeken. Nou ja, het leek nog wat vroeg voor wat anders, opperde ik. “Meneer,” boerde daarop een rugbyjongen aan de bar, “als wij op kamp gaan, poetsen wij ’s morgens onze tanden met bier!”

Ik geloofde hem meteen. Het plaatje paste naadloos in de ervaringen die J. opdeed als hij met het team Het Kanaal overstak om in het mekka van het rugby op kamp te gaan. J. na zijn eerste veldtocht: “We moesten als tourmaagd in onze blote kont op het veld een groot glas bier leegdrinken. We kregen een stuk wc-papier tussen de billen gedrukt en dat werd aangestoken. En dat mocht je er pas uittrekken als je je glas leeg had. Ik was op tijd, anderen niet. Die hadden de brandblaren op hun billen.”

> Lees ook: Dappere kreupele

 

Ohh Greetje…

We staan voor Greetje in de Peperstraat. Greetje is een geprezen restaurant, zo lezen we op de deur. We zien posters, recensies en stickers (Lekker) met loftuitingen, hmmm. Binnen vragen we waar we mogen zitten, er is gereserveerd. De man (van Greetje?), kaal en gehouwen als een mooi gesneden asperge, kijkt in zijn papieren en vraagt: ‘op wiens naam hebben jullie geboekt?’ We weten het niet, zeggen we. ‘De rest van het gezelschap is nog onderweg, zij hebben gereserveerd, maar is het een bezwaar…?’

‘Nee’, zegt de man van Greetje (natuurlijk niet).

Even later zitten we met zeven man aan tafel. We bekijken de kaart en zien dat Greetje in hartje Amsterdam De Hollandsche Pot kookt. We lezen: dungesneden Twents Neaghelhout, dungesneden gebraden tamme Beemster eendenborst, Noord Hollandse Blauwe kip, biologische bloedworst van Veenland varkens.

Er groeit een lichte ergernis. Zit je als provinciaal midden in Amsterdam aan tafel met allemaal bijdehante Mokummers, maakt Greetje goede sier met gerechten uit buitengebieden waar ze in die grachtengordel nog nooit van gehoord hebben. En als dat wel het geval is, dan halen ze er hun neus voor op. Bij tripjes buiten de stadsgrenzen kijkt mijn gezelschap geheel in lijn met de clichés in ieder geval erg bedenkelijk. Laat staan dat ze de IJssel oversteken om Twents Neaghelhout te eten.

Dus eten ze het in Greetje. Ik kies voor de aspergesoep en twijfel verder tussen een Stoofpotje van Veluwe lam en Gegrilde kalfslende van Waterlands Weelde. Het wordt ’t lam, ook al geloof ik niet dat ie van de Veluwe komt. Maar dat geldt ook voor ’t kalf, dat, zo denk ik, nooit een stap heeft gezet in Waterland.

Greetje is als Jonnie Boer, de sterrenkok aan de andere kant van de IJssel die de klant lekker maakt met streekproducten, die, zo dien je te geloven, hoogstpersoonlijk door de kok zijn gekeurd, geslacht of geoogst en meegenomen. Zo is ’t lam, dat nu in een piepklein stoofpotje voor me staat, door Greetje zelf uit een kudde Veluwse schapen gehaald – dat idee.

Maar dat lijkt me kras, want Greetje is vandaag namelijk 84 jaar geworden, vertelt ons de man van ’t restaurant. Greetje is de moeder van de man die het restaurant runt, zo leren we. Ze keurt nog de kaart en de gerechten, vertelt hij, wat een mooie marketingvariant is op Jonnie Boers (geboren Giethoorn, grootvader visser) ambachtelijke zoektocht naar natuur- en streekgenot.

Doch, het moet gezegd, Greetjes gerechten smaken hemels. Van de asperge tot ’t lam. De naspijs – de crème brulée bereid met een huisgemaakt extract van zoethout geserveerd met een ijsje van trekdrop – is zo mogelijk nog lekkerder. Het ijs, een grijze kegel, roept bij het zien zelfs vragen op bij de disgenoten, allen toch dwepend met de haute cuisine (behalve P. die ’t liefst frikadellen eet).

‘Dat is ijs en smaakt naar drop’, zegt het meisje van de bediening, dat, voordat ik mijn naspijskeuze bekend maak, de ‘crème brulée’ al voor mij heeft genoteerd. ‘Ik wist dat u dat ging kiezen’, zegt ze met een ontwapende lach – meesterlijk gedaan, ze palmt me in, ik word warm, proef de zoete smaak van luikende liefde en val definitief voor lekkere Greetje. | mei 2011

A.L. Snijders begrijpt een gedicht nooit in één keer

We zijn in De Balie in Amsterdam. Daar is een soort van feestje ter ere van Peter Müller, die als A.L. Snijders naam maakt als schrijver van het zeer korte verhaal, het zkv. Hij is vorige maand gelauwerd. De Constantijn Huygensprijs, een oeuvreprijs, dan tel je mee. Daarom een feestje in De Balie onder de naam: Stad & Land.

De bezoekers mogen aardbeien en wijn pakken. We zitten op rij vijf, stoel zes en zeven en nemen vrucht noch drank. We komen voor de schrijver en zijn woord. Dat was lange tijd, zo lezen we in een wervende uitgave van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, ‘het best bewaarde literaire geheim van het land’. Zijn doorbraak kwam achteraf, hij is 73 als zijn oeuvre wordt onderscheiden. ‘Bij mij komt alles achteraf,’ zal A.L. Snijders later op de avond zeggen.

Maar zover is het nog niet, want A.L. Snijders is er nog niet. De man uit de Achterhoek (Klein Dochteren) is met vrouw en caravan neergestreken op een camping in de Kennemerduinen. Mogelijk dat hij de duur van dat ritje naar de hoofdstad heeft onderschat. Het kan ook zijn dat hij als kersverse laureaat zijn publiek wat chique wil laten wachten, een mogelijkheid die we overigens niet aannemelijk achten. Niet des Snijders, lijkt ons.

In de zaal met theateropstelling staat een tafel met daarop drie microfoons. Twee plekken voor de interviewers met, straks, in hun midden de schrijver die inmiddels is gearriveerd en nog wat los rondloopt.

We toetsen zijn verschijning aan onze verbeelding. A.L. Snijders is niet klein en verfijnd van bouw zoals zijn zkv’s, maar uit de kluiten gewassen, wat verklaart waarom hij beter op het platteland gedijt dan in de stad. Het lijf heeft ruimte nodig. En profil doet de auteur met zijn twee borstelige wenkbrauwen denken aan een uil. Een milde, eigenzinnige en vrijbuitige uil, zo een die wel vaart op rand van bos en wei.

Op twee stoelen aan de voet van het publiek zitten Manja Topper en Frieda Pittoors, actrices die voordragen uit werken van door A.L. Snijders geliefde schrijvers als Multatuli, Nescio, Gerard Reve en Armando. Ze hebben, zo valt ons op, één wel héél gretige luisteraar: A.L. Snijders. Hij schept de zinnen van hun lippen om even later te zeggen: ‘Ja, prachtig hè, Reve. Eigenlijk zou je alles twee keer moeten horen, om het beter te begrijpen. Ik begrijp een gedicht nooit in één keer. En vaak ook niet na twee keer.’

Waarna een gedicht nog een keer wordt voorgedragen. 

In Bakki

Alsof we in de wachtruimte van een groot busstation zijn beland. We zijn in Bakki, aan het eind van de weg met de naam Bakkavegur. Een lange grindweg op weg naar het einde. Als je in je auto achterom kijkt, staar je in een wolk IJslandse stof.

In de wachtruimte van het piepkleine vliegveldje Bakkaflugvöllur zitten negen mensen. Dat zijn er naar ons idee al te veel. Want het vliegtuig waarmee wij moeten gaan vliegen naar de Vestmannaeyjar Islands heeft plaats voor acht. Van de negen is er één dronken. Hij lispelt, walmt, murmelt, stinkt en scharrelt door de ruimte. Mocht het er op aan komen, gaat hij niet mee, zo besluiten wij. Wie drinkt, is minder. Wie drinkt neemt het niet zo nauw met het leven. Wie drinkt maalt er niet om als ie een vliegtuig later moet. Wie drinkt en ook nog eens dronken is slaapt net zo lief in de wachtruimte van Bakki.

‘Haal jij wat koffie,’ zeg ik tegen A. Let wel: zeg, niet: vraag. De vorige keer haalde ik. Nu zij. Om en om, balans, evenwicht, dat is relatie. ‘Kan geen koffiemelk vinden,’ zegt ze even later. ‘Wat is dat trouwens in het IJslands, melk?’ ‘Mjólk,’ zeg ik. ‘En koffie is kaffi.’ Zij: ‘Een bakkie kaffi in Bakki, haha.’

We wachten. De dronken man begint te praten. Frans. Hij murmelt. ‘Je suis malade,’ meen ik te horen. Zes IJslanders negeren hem, wij niet. We kijken en denken: wij hebben een hekel aan Fransen. Wat doet hij trouwens hier in dit zelfs voor IJslandse begrippen verlaten oord?

We horen het vliegtuig. Het vliegt aan over de oceaan. Laag, schommelend. ‘Wat een raar model,’ fluistert A. ‘Ik weet niet of ik daar wel in wil.’ Ik sla er geen acht op. Twijfels moet je negeren, dan drogen ze vanzelf op. De landing is er een uit de serie hotseknots. Het vliegtuig taxiet als een vermoeide gans naar het gebouwtje waar wij wachten.

Als we met onze tassen in de rij klaar staan om in te stappen, kunnen we de staat van het in de straffe oceaanwind wiegende toestel eens goed bestuderen. Ik zie een met tape afgeplakt gat bij een raam. In de vleugel missen een paar moeren. De staart is een lappendeken van metaalplaten.

‘Zeg,’ begint ze. ‘Stil,’ reageer ik. Voor het vliegtuig staat onze dronken Fransman. Hij schudt de hand van de piloot, die wat zegt en wegloopt. Even later zit de Fransman achter de stuurknuppel en stappen de IJslanders in. Als wij blijven staan, gaat het raampje van de cockpit open en horen we: ‘Are you coming?’ Door de raampjes staren zes IJslanders ons aan. En een Fransman. | november 2010

K.

K. is gearriveerd. Twee turven hoog. De r is nog altijd een l. De w. een j. En de s. En de v. Deze phonetische dyslexie is geen beletsel om de macht te grijpen. Alles draait om K. De vloer is in no-time omgetoverd in een hindernisbaan met speelgoed. De avonturen van ‘de kleine rode tractor’ vullen continue het beeldscherm. En er wordt gepraat, aan-een-stuk-door.

‘Kijk, de lode tlactol is seg!’

‘Nou nee, hoor.’

‘Jel!’

Na drie uur zijn we op. Alle energie verdwijnt in een zwart gat, genaamd K. We beginnen over het eten, de opmaat tot het slapen gaan. Waar heeft hij zin in? We hopen op patat, een kroket, een hamburger, broodje knackworst, misschien wel een pannenkoek met spek. Als het maar iets is waar wij al wekenlang naar hunkeren, gebukt als we gaan onder dat gruwelijk gezonde en verantwoorde biologische hongerdieet. Want: hij patat, wij patat. Hij kroket, wij kroket. Zo zijn onze manieren.

Maar K. wil geen vette hap, K. wil… bloemkool. We kijken elkaar verbijsterd aan. Is dit een ingestudeerde streek van pa en ma? We kunnen het nauwelijks geloven, want zij eten álles behalve de Hollandsche pot. Maar hoe we ook op hem inpraten, het blijft bloemkool.

We besluiten het eten op te schorten, een half uur verantwoord duplo in te lassen en dan gewoon patat op tafel te zetten, is hij nou helemaal gek. We laten ons de zelf beloofde genoegdoening voor deze slopende dag niet ontnemen. En als hij geen patat lust, laat ie het maar staan. Wij eten dan met alle soorten van genoegen zijn bord wel leeg. Kan hij ondertussen voor de 16e keer naar ‘de lode tlactol’ kijken. | oktober 2010

Dappere kreupele

Eerst verbazing, toen meelij, maar uiteindelijk hebben we toch maar gewoon daverend gelachen. Om die rammelende, scheef gezakte veertiger die zich keer op keer met ware doodsverachting in de scrum stortte. En vocht om de bal als een jonge, maar versleten God. Niet zelden werd hij plat gedrukt door massief geblokte beren.

En als de kluwen gedrochten, gemankeerden, bonten en blauwen uit elkaar was gehaald, moest hij als laatste door zijn medespelers omhoog worden getrokken, waarna hij zich met een slepend been terug liet zakken in de eigen gelederen. Om met verbeten trek opnieuw ten aanval te gaan en zich in de vijand te beuken. Op het ritme van de rammelende botten in zijn scheef gezakte geraamte, volgden onze ogen vol ongeloof deze onverbeterlijke zelfmoordenaar.

Tot we last kregen van de slappe lach.

We hadden alle recht van de wereld, want deze recidivist maakte de rugbypartij tot een koddige vertoning, een scherts, een slapstick. Een kromme herniapatiënt die van geen ophouden wist tussen beukende boomstammen. We kwamen niet meer bij.

Totdat we ingesloten werden door de supporters van de dappere kreupele. Zij hadden het postuur van de kolossen zoals wij die overal in het veld zagen. Ze duwden hun machtige torso’s tegen onze lijven en vroegen zwijgend: wat had je? Onze lach smoorde in het vet van hun bierbuiken en ergens in de plooien mompelden we gehaast: ja nee, hij speelt geweldig, hoor.

We kwamen er mee weg en waren opgelucht. Waarna we zwijgend het spel uitkeken. Met respect voor de onverdroten cripple en zijn zwijgende kleerkasten aan de zijlijn.