Categorie archief: Uncategorized

Teveel en te weinig

Nog even gecheckt en ja hoor, voorin, op bladzijde vier van de ongenummerde pagina’s staat:

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Ik ben altijd onder de indruk van waarschuwingen, zelfs als de sancties me niet duidelijk zijn. Ik weeg de straf niet eens af, ik ben een brave man, ik kleur binnen de lijntjes, ik ben democraat. Toch ga ik me hier schuldig maken aan het verboden vermenigvuldigen (ik denk niet aan uitgevers), niet als daad van verzet, maar om de enkeling die dit leest deelgenoot te maken. Het is te mooi om verborgen te blijven in een boek:

Mijn opvattingen over schrijven zijn eenvoudig: zorg dat je laconiek bent (schrijven is niet heel bijzonder), ga zitten en schrijf op waar je zin in hebt, kijk niet om, verbeter niets, denk niet aan lezers. Ik heb natuurlijk makkelijk praten, ik schrijf kleine stukjes, er kan niet veel fout gaan. Maar ik kan toch geen smetteloos stukje schrijven, altijd verstopt zich een foutje in het gewas (een t teveel, een t te weinig) en al loop je er tien keer langs, het houdt zich stil. Verder heb ik geen mening over schrijven.

Was getekend, A.L. Snijders (Vijf bijlen, 2e druk, pag 203, Russische boer).

Welnu, toch wel gek: teveel en te weinig in één zin. Ik raak een beetje in de war, aan elkaar of niet? Uit Onze Taal:

Een ezelsbruggetje: als je in plaats van te veel ook te weinig op dezelfde plaats in de zin kunt gebruiken (‘Hij heeft te weinig taart gegeten’), komt er een spatie na te. Een ander ezelsbruggetje: als je te kunt weglaten zonder dat de zin ongrammaticaal wordt (‘Werk jij niet veel?’), komt er een spatie na te.

Er zit een foutje in het gewas van de Russische boer, maar dat houden we stil. Ja, loopt u maar gewoon door. Niets tezien hier.

Ohh Greetje…

We staan voor Greetje in de Peperstraat. Greetje is een geprezen restaurant, zo lezen we op de deur. We zien posters, recensies en stickers (Lekker) met loftuitingen, hmmm. Binnen vragen we waar we mogen zitten, er is gereserveerd. De man (van Greetje?), kaal en gehouwen als een mooi gesneden asperge, kijkt in zijn papieren en vraagt: ‘op wiens naam hebben jullie geboekt?’ We weten het niet, zeggen we. ‘De rest van het gezelschap is nog onderweg, zij hebben gereserveerd, maar is het een bezwaar…?’

‘Nee’, zegt de man van Greetje (natuurlijk niet).

Even later zitten we met zeven mensen aan tafel. We bekijken de kaart en zien dat Greetje in hartje Amsterdam De Hollandsche Pot kookt. We lezen: dungesneden Twents Neaghelhout, dungesneden gebraden tamme Beemster eendenborst, Noord Hollandse Blauwe kip, biologische bloedworst van Veenland varkens.

Er groeit een lichte ergernis. Zit je als provinciaal midden in Amsterdam aan tafel met allemaal bijdehante Mokummers, maakt Greetje goede sier met gerechten uit buitengebieden waar ze in die grachtengordel nog nooit van gehoord hebben. En als dat wel het geval is, dan halen ze er hun neus voor op. Bij tripjes buiten de stadsgrenzen kijkt mijn gezelschap geheel in lijn met de clichés in ieder geval erg bedenkelijk. Laat staan dat ze de IJssel oversteken om Twents Neaghelhout te eten.

Dus eten ze het in Greetje. Ik kies voor de aspergesoep en twijfel verder tussen een Stoofpotje van Veluwe lam en Gegrilde kalfslende van Waterlands Weelde. Het wordt ’t lam, ook al geloof ik niet dat ie van de Veluwe komt. Maar dat geldt ook voor ’t kalf, dat, zo denk ik, nooit een stap heeft gezet in Waterland.

Greetje is als Jonnie Boer, de sterrenkok aan de andere kant van de IJssel die de klant lekker maakt met streekproducten, die, zo dien je te geloven, hoogstpersoonlijk door de kok zijn gevangen, gekeurd, geslacht of geoogst en meegenomen. Zo is ’t lam, dat nu in een piepklein stoofpotje voor me staat, door Greetje zelf uit een kudde Veluwse schapen gehaald – dat idee.

Maar dat lijkt me kras, want Greetje is vandaag namelijk 84 jaar geworden, vertelt ons de man van ’t restaurant. Greetje is de moeder van de man die het restaurant runt, zo leren we. Ze keurt nog de kaart en de gerechten, vertelt de man, wat een mooie marketingvariant is op Jonnie Boers (geboren Giethoorn, grootvader visser) ambachtelijke zoektocht naar natuur- en streekgenot.

Doch, het moet gezegd, Greetjes gerechten smaken hemels. Van de asperge tot ’t lam. De naspijs – de crème brulée bereid met een huisgemaakt extract van zoethout geserveerd met een ijsje van trekdrop – is zo mogelijk nog lekkerder. Het ijs, een grijze kegel, roept bij het zien zelfs vragen op bij de disgenoten, allen toch dwepend met de haute cuisine (behalve P. die ’t liefst frikadellen eet).

‘Dat is ijs en smaakt naar drop’, zegt het meisje van de bediening, dat, voordat ik mijn naspijskeuze bekend maak, de ‘crème brulée’ al voor mij heeft genoteerd. ‘Ik wist dat u dat ging kiezen’, zegt ze met een ontwapende lach – meesterlijk gedaan, ze palmt me in, ik word warm, proef de zoete smaak van luikende liefde en val definitief voor lekkere Greetje. | mei 2011

A.L. Snijders begrijpt een gedicht nooit in één keer

We zijn in De Balie in Amsterdam. Daar is een soort van feestje ter ere van Peter Müller, die als A.L. Snijders naam maakt als schrijver van het zeer korte verhaal, het zkv. Hij is vorige maand gelauwerd. De Constantijn Huygensprijs, een oeuvreprijs, dan tel je mee. Daarom een feestje in De Balie onder de naam: Stad & Land.

De bezoekers mogen aardbeien en wijn pakken. We zitten op rij vijf, stoel zes en zeven en nemen vrucht noch drank. We komen voor de schrijver en zijn woord. Dat was lange tijd, zo lezen we in een wervende uitgave van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, ‘het best bewaarde literaire geheim van het land’. Zijn doorbraak kwam achteraf, hij is 73 als zijn oeuvre wordt onderscheiden. ‘Bij mij komt alles achteraf,’ zal A.L. Snijders later op de avond zeggen.

Maar zover is het nog niet, want A.L. Snijders is er nog niet. De man uit de Achterhoek (Klein Dochteren) is met vrouw en caravan neergestreken op een camping in de Kennemerduinen. Mogelijk dat hij de duur van dat ritje naar de hoofdstad heeft onderschat. Het kan ook zijn dat hij als kersverse laureaat zijn publiek wat chique wil laten wachten, een mogelijkheid die we overigens niet aannemelijk achten. Niet des Snijders, lijkt ons.

In de zaal met theateropstelling staat een tafel met daarop drie microfoons. Twee plekken voor de interviewers met, straks, in hun midden de schrijver die inmiddels is gearriveerd en nog wat los rondloopt.

We toetsen zijn verschijning aan onze verbeelding. A.L. Snijders is niet klein en verfijnd van bouw zoals zijn zkv’s, maar uit de kluiten gewassen, wat verklaart waarom hij beter op het platteland gedijt dan in de stad. Het lijf heeft ruimte nodig. En profil doet de auteur met zijn twee borstelige wenkbrauwen denken aan een uil. Een milde, eigenzinnige en vrijbuitige uil, zo een die wel vaart op rand van bos en wei.

Op twee stoelen aan de voet van het publiek zitten Manja Topper en Frieda Pittoors, actrices die voordragen uit werken van door A.L. Snijders geliefde schrijvers als Multatuli, Nescio, Gerard Reve en Armando. Ze hebben, zo valt ons op, één wel héél gretige luisteraar: A.L. Snijders. Hij schept de zinnen van hun lippen om even later te zeggen: ‘Ja, prachtig hè, Reve. Eigenlijk zou je alles twee keer moeten horen, om het beter te begrijpen. Ik begrijp een gedicht nooit in één keer. En vaak ook niet na twee keer.’

Waarna een gedicht nog een keer wordt voorgedragen. 

In Bakki

Alsof we in de wachtruimte van een groot busstation zijn beland. We zijn in Bakki, aan het eind van de weg met de naam Bakkavegur. Een lange grindweg op weg naar het einde. Als je in je auto achterom kijkt, staar je in een wolk IJslandse stof.

In de wachtruimte van het piepkleine vliegveldje Bakkaflugvöllur zitten negen mensen. Dat zijn er naar ons idee al te veel. Want het vliegtuig waarmee wij moeten gaan vliegen naar de Vestmannaeyjar Islands heeft plaats voor acht. Van de negen is er één dronken. Hij lispelt, walmt, murmelt, stinkt en scharrelt door de ruimte. Mocht het er op aan komen, gaat hij niet mee, zo besluiten wij. Wie drinkt, is minder. Wie drinkt neemt het niet zo nauw met het leven. Wie drinkt maalt er niet om als ie een vliegtuig later moet. Wie drinkt en ook nog eens dronken is slaapt net zo lief in de wachtruimte van Bakki.

‘Haal jij wat koffie,’ zeg ik tegen A. Let wel: zeg, niet: vraag. De vorige keer haalde ik. Nu zij. Om en om, balans, evenwicht, dat is relatie. ‘Kan geen koffiemelk vinden,’ zegt ze even later. ‘Wat is dat trouwens in het IJslands, melk?’ ‘Mjólk,’ zeg ik. ‘En koffie is kaffi.’ Zij: ‘Een bakkie kaffi in Bakki, haha.’

We wachten. De dronken man begint te praten. Frans. Hij murmelt. ‘Je suis malade,’ meen ik te horen. Zes IJslanders negeren hem, wij niet. We kijken en denken: wij hebben een hekel aan Fransen. Wat doet hij trouwens hier in dit zelfs voor IJslandse begrippen verlaten oord?

We horen het vliegtuig. Het vliegt aan over de oceaan. Laag, schommelend. ‘Wat een raar model,’ fluistert A. ‘Ik weet niet of ik daar wel in wil.’ Ik sla er geen acht op. Twijfels moet je negeren, dan drogen ze vanzelf op. De landing is er een uit de serie hotseknots. Het vliegtuig taxiet als een vermoeide gans naar het gebouwtje waar wij wachten.

Als we met onze tassen in de rij klaar staan om in te stappen, kunnen we de staat van het in de straffe oceaanwind wiegende toestel eens goed bestuderen. Ik zie een met tape afgeplakt gat bij een raam. In de vleugel missen een paar moeren. De staart is een lappendeken van metaalplaten.

‘Zeg,’ begint ze. ‘Stil,’ reageer ik. Voor het vliegtuig staat onze dronken Fransman. Hij schudt de hand van de piloot, die wat zegt en wegloopt. Even later zit de Fransman achter de stuurknuppel en stappen de IJslanders in. Als wij blijven staan, gaat het raampje van de cockpit open en horen we: ‘Are you coming?’ Door de raampjes staren zes IJslanders ons aan. En een Fransman. | november 2010

Dappere kreupele

Eerst verbazing, toen meelij, maar uiteindelijk hebben we toch maar gewoon daverend gelachen. Om die rammelende, scheef gezakte veertiger die zich keer op keer met ware doodsverachting in de scrum stortte. En vocht om de bal als een jonge, maar versleten God. Niet zelden werd hij plat gedrukt door massief geblokte beren.

En als de kluwen gedrochten, gemankeerden, bonten en blauwen uit elkaar was gehaald, moest hij als laatste door zijn medespelers omhoog worden getrokken, waarna hij zich met een slepend been terug liet zakken in de eigen gelederen. Om met verbeten trek opnieuw ten aanval te gaan en zich in de vijand te beuken. Op het ritme van de rammelende botten in zijn scheef gezakte geraamte, volgden onze ogen vol ongeloof deze onverbeterlijke zelfmoordenaar.

Tot we last kregen van de slappe lach.

We hadden alle recht van de wereld, want deze recidivist maakte de rugbypartij tot een koddige vertoning, een scherts, een slapstick. Een kromme herniapatiënt die van geen ophouden wist tussen beukende boomstammen. We kwamen niet meer bij.

Totdat we ingesloten werden door de supporters van de dappere kreupele. Zij hadden het postuur van de kolossen zoals wij die overal in het veld zagen. Ze duwden hun machtige torso’s tegen onze lijven en vroegen zwijgend: wat had je? Onze lach smoorde in het vet van hun bierbuiken en ergens in de plooien mompelden we gehaast: ja nee, hij speelt geweldig, hoor.

We kwamen er mee weg en waren opgelucht. Waarna we zwijgend het spel uitkeken. Met respect voor de onverdroten cripple en zijn zwijgende kleerkasten aan de zijlijn. 

‘Gisteren reed hij nog’

Dit is een stukje over een auto. Mijn auto. Een middenklasser die allang niet meer tot de nieuwste modellen behoort. Een gedateerde diesel (met turbo) van Franse makelij met ruim 270.000 kilometer op de teller. Hij is in gebruik door vele naasten. Zij trappen ‘m op de staart en hij gaat waar zij ‘m sturen. Sommigen wild, anderen zijig, een derde gehaast – drivers change, hij draagt het als een man. Geen kick, rechte rug, stevige pas.

Tot laatst.

In het Amsterdamse gaf hij stijf links op een driebaans de geest. Rode lampjes schrikten op. Het dashboardpanel schreeuwde alarm en de motor viel stil. Een dovend lichtje zocht in het rondrazende verkeer angstig de vluchtstrook. En bereikte die ternauwernood. Hulptroepen kwamen en onderzochten de patiënt, maar konden geen diagnose stellen. Levenloos, zoveel is zeker, maar waardoor?

Daags erna, na een lange verplaatsing in de armen van een tow truck, werd in de garage de motorkap opnieuw gelicht. Het onderzoek bracht wijsheid: verkeerde brandstof. Benzine in de dieseltank, het was ‘m te veel geworden.

Een voorzichtige reanimatie bracht ‘m weer tot leven. Rochelend en rauw hervatte hij z’n weg. Hij ging, maar niet als vanouds. Hij reed mank. Snelheid werd aangepast, acceleratie gedempt, afstanden verkleind. Met een stille hoop dat hij langzaam weer ging glijen, zoals alleen Fransen dat kunnen.

Maar hij kreeg z’n oude allure niet terug. Een tik met een onbekende trekhaak in het front bracht ‘m verder van de wijs. De deuk bleek niet alleen een snee in het aangezicht. Ook de radiator was lek geprikt. Langzaam vloeide koelvloeistof weg en haperde hij meer en meer als stil protest. Totdat opnieuw het dashboard rood kleurde.

In het hersteloord werd hij wederom gerenoveerd. Nieuwe onderdelen, platen verwisseld, vloeistof aangevuld. En… hij ging weer als een speer, fluisterde de berijder van dienst opgetogen.

Tot vanmorgen.

Hij startte als een jonge doch trouwe hond, maar gaf verder geen krimp. Niet in z´n een, niet in z´n twee. Geen verwensing hielp, geen aanmoediging had effect. Halsstarrig weigerde hij dienst aan z’n baas. Hoe kan dat nou, vroeg ik door de telefoon aan de herstelmonteur die ‘m in ruil voor een flinke som geld weer had opgelapt. “Gisteren reed hij nog,” pruilde ik bits in mijn mobiel.

Het was lucht. In de leidingen. Daar gebleven na de reparatie. De hydrauliek in zijn gestel kon er niet mee overweg. Een nauwkeurig uitgevoerde morse op het koppelingspedaal moest verlichting brengen. J. deed de ontluchtingsdans en bracht ‘m weer onder ons.

En vandaag reed ie weer. Stram, rauw, mokkig, boos, maar hij reed. Ik gaf hem een kus op het dak en fluisterde in z’n spiegel: “Nou niet opgeven hoor, het is crisis!!” | december 2008

Debiele Wiebe

Dat brreekt zo lekkerr de week. Het is al weer enige tijd dat Knorr (Unilever) met deze slogan z’n exotische maaltijdmixen in de maag probeert te splitsen van de Nederlanders. Voor de commercials heeft de voeding- en zeepbellengigant een beproefd recept uit de kast gehaald: achterlijk boerengezin ontdekt de wereld.

Reclamebureau Alfred voert deze keer de akkerbouwer Wiebe op als karikatuur van de Nederlandse boer. Wiebe ontdekt de wereldgerechten van Knorr. In de eerste van de reeks staat op de keuk’ntafel plots teriyaki, een Japans gerecht. Wiebe gewend aan alle dag’n piepers, kijkt verrast op: dat is lekker. Leuk, opmerkelijk, grappig, want wat de boer niet kent, dat vreet ie immers niet.

Nou Wiebe wel. Elke woensdag vreet ie in het vervolg getooid met Mexicaanse sombrero of Turkse snor de wereldmixen van Knorr, want dat brreekt zo lekkerr de week. Vrouw en knecht doen lekkerr mee. Het zal de creatievelingen van Alfred aan de Antony Fokkerweg te Amsterdam werkelijk een rotzorg zijn, zomin het de ceo’s van Unilever ook maar ene bal interesseert, maar ook Knorr draagt met deze debiele Wiebe wereldmix bij aan die maar aanhoudende infantilisering van het platteland. Appelleer aan het stadse idee van de plat pratende boerenwereld, overdrijf, vergroot uit en maak er een vermakelijke beeldbevestigende sketch van. Is toch lachen.

Hier ligt een missie. Sla die achterlijke beeldvorming van die programmamakers te Hilversum (Boer zoekt vrouw) en die reclameboeren in Amsterdam nou eens aan diggelen. Tip aan de redactie van het Agrarisch Dagblad: doe een grootscheeps onderzoek naar het opleidingsniveau van de Nederlandse boer en tuinder (goh, wat veel afgestudeerde Wageningers), breng in beeld hoe de wereld van de boer is gedigitaliseerd (jeetje, worden die trekkers bestuurd door gps?), schrijf het verhaal van de betekenis van de Nederlandse land- en tuinbouw (wat, de tweede exporteur ter wereld?!) maak er een special van en verspreid die huis-aan-huis in de grote steden.

En doe dat op woensdag, want dat brreekt zo lekkerr de week. (Knorr wil vast wel adverteren) | oktober 2008

De Mercedes van m’n vader

Mijn leven is één grote vlucht naar voren, dus is de eerste gedachte als zo’n brief in de bus valt: ik ga niet. Geen duik in de geschiedenis, geen terugkeer naar de jaren waarin je nog idealen had, illusies koesterde, liefdes droomde. Scharrelen in de tijd van toen moet je in je hoofd doen, niet aan de hand van de gezichten van nu die zo’n dertig jaar ouder zijn.

En die wedloop in succes stories kan mij ook gestolen worden; reünisten leven volgens hun verhalen altijd zo meeslepend en groots. En dan moet alles na afloop in de bovenkamer weer een plek krijgen, wat een hels karwei is. Om maar te zwijgen van de oprakeling van de zo zorgvuldig weggestopte details – dat dat met reden is gebeurd, wordt weer pijnlijk duidelijk. Op een reünie haal je je open aan de scherpe randjes van het verleden – wie zit daar nou op te wachten?

Ik niet, maar deze keer ging ik wel. ‘Ja’ gezegd in een opwelling. En kon eigenlijk niet meer terug. Ik reisde af naar de voetbalmaten van toen, de jongens waarmee je op zaterdagmiddag in auto’s van een handvol vaders naar tochtige velden reed, waar ik in mijn herinnering als een vaardige dirigent op het middenveld de ploeg aanstuurde met listige steekpassjes en weergaloze lange-ballen-op-maat.

De eerste ontmoeting: ‘Tja, jij bent…’ Ik wist het niet. Mijn geheugen, altijd al wat zwakjes, liet me meteen in de steek. Geen nood, een waterval aan anekdotes vulde de gaten in de herinnering. De verhalen, de namen, de weetjenogs – in rap tempo werd het schilderij uit het verleden ontdaan van de dikke lagen stof.

En toen volgde het onvermijdelijke demasqué. J., toen begenadigd technicus, nu kalig en bolgebuikt: “Een briljante spelverdeler op het middenveld? Het enige dat ik mij van jou herinner is de Mercedes van je vader.” | juni 2007