Passant

Er vaart een roeiboot voorbij, riemen glijden geruisloos door het donkere water. Op de rand van de sloep twee hengels, de lijnen liggen binnenboord.

N. groet de roeier. “In het weekend komen de hele dag bootjes voorbij. Vind ik wel gezellig,” zegt hij.

J. eet zwijgend zijn pasta. Hij groet niet.

“Waar denk je aan,” vraag ik.

“Niks,” zegt J. “Ik denk aan niks.”

“Licht ie nou recht,” vraag ik.

“Lichen is met een g,” zegt J. “Het is liggen, niet lichen.”

“Oh, ok√©,” zeg ik. “Maar ligt ie nou waterpas?”

N.: “Ja. Het aquarium weegt wel zo’n 200 kilo. Mooi contragewicht. De boot ligt nu recht.”

“Dus de klok loopt nu ook goed?”

“Nee.”

(Hier stond de laatste zin. Die is geschrapt. Ik kreeg er een steeds grotere hekel aan – iets met passant)

Geef een reactie